Op een frisse lentemorgen buig ik me over de inleiding van een scriptie.
Idealiter is de inleiding van een lange tekst vergelijkbaar met de hal van een huis. Het is misschien niet de belangrijkste ruimte, maar het biedt wel een inkijkje in de rest, want het zegt iets over de sfeer en de omvang van het huis.
Wat je via zo’n inleiding wil, is dat de lezer letterlijk een thuisgevoel krijgt. Een inleiding als een kokosmat, zeg maar, en dan zo eentje waar met grote letters ‘WELKOM!’ op staat.
De inleiding op mijn scherm voldoet helaas nog niet aan deze eis. Het lijkt eerder of ik via een achterdeurtje naar binnen ben geloodst, waarna ik bij binnenkomst onmiddellijk struikel over allerlei losse onderdelen: oude planken uit de garage, speelgoed uit de kinderkamer en meubelstukken uit de woonkamer. Het hoort allemaal bij het huis, maar de gewenste plek is duidelijk niet het halletje.
Nog voordat ik mijn feedback met de student kan bespreken, stapt hij energiek mijn kamer binnen en zegt: ‘Ik ga over drie weken inleveren.’
Ik staar een moment beduusd naar het scherm en zeg dan: ‘Ik weet niet of dat realistisch is.’
‘Niet!?’ Ik zie de teleurstelling in zijn ogen en dat spijt me, maar ik wil ook eerlijk zijn.
‘Ik snap dat je dit liever niet wilt horen, maar je brengt nog niet helder over wat je nu eigenlijk hebt onderzocht,’ licht ik mijn reactie toe.
‘Ik kan het heel goed uitleggen,’ zegt hij snel.
‘Dat geloof ik meteen, maar je moet het ook kunnen opschrijven.’
Teleurgesteld laat hij zich op de stoel vallen tegenover die van mij. ‘Wat mankeert eraan?’
‘Het is veel,’ begin ik met een omtrekkende beweging.
‘Er is eerder anders nog nooit iemand over gestruikeld.’
‘Echt niet?’
‘Ga een beetje met je taal aan de slag, zei mijn afstudeerbegeleider, maar verder was het nooit een probleem.’
‘Een beetje met je taal aan de slag…’ herhaal ik. Het valt steeds moeilijker uit te leggen dat schrijven geen quick fix is. Zeker niet wanneer er binnen een opleiding geen taaldocent aanwezig is om studenten op tijd een beetje bij te sturen. ‘Schrijven kost tijd,’ probeer ik.
‘Ja, dat heb ik gemerkt, maar ik heb nog maar drie weken. Ik heb inhoudelijk altijd goeie feedback gehad, mijn stagebegeleiders zijn tevreden, dan kan het toch niet zo zijn dat ik nu word teruggefloten op táál?’
‘Het spijt me,’ zeg ik, ‘maar de deadline die je noemt lijkt me niet realistisch.’
Hij kijkt me aangeslagen aan.
‘Schrijven is ook een vak,’ zeg ik, maar ik zie dat ik zijn aandacht al kwijt ben.
Hij zucht diep en ritst zijn rugzak open. ‘En nu?’
‘Nu gaan we kijken waar jouw tekst uit de rails is gelopen en wat je kunt doen om ‘m weer in het gareel te krijgen.’
Zijn weerstand is voelbaar in de kamer en zonder dat ik het wil besmet dat gevoel mij ook. Ik voel me de timmerman die een huis vol achterstallig onderhoud betreedt, terwijl de opdrachtgever hem achteloos meedeelt dat de klus in een paar weken geklaard moet zijn. (‘Ga maar een beetje met je gereedschap aan de slag’)
Het is prachtig dat docenten hun studenten voor schrijfbegeleiding doorverwijzen naar het SSC, en dat moeten ze ook vooral blijven doen, maar het zou wel helpen wanneer we taal met z’n allen weer wat serieuzer gaan nemen. Schrijven is namelijk geen afdeklatje, het zit in de fundering.

Judith van der Stelt is schrijfcoach en dyslexiespecialist bij het Student Support Centrum in Almere