Na vijftien jaar Windesheim Flevoland gaat directeur Hasib Moukaddim ons verlaten. Wat zijn volgende stap zal zijn, weet hij nog niet maar hij wil in ieder geval impact maken.
Hasib Moukaddim heeft Windesheim Flevoland groot zien worden. Van niet meer dan een plan tot nu, een hogeschool met ruim 4400 studenten.
‘In het begin moesten we heel veel zelf uitvinden – niet alles, gelukkig; Windesheim zorgde voor de structuur, de financiële middelen, maar verder was de ambitie om hier een eigen onderwijsconcept te ontwikkelen, en daarbij werd het ons streng afgeraden om bij de opleidingen in Zwolle te gaan kijken. Dat zou een verkeerd begin zijn. Ik begon in de zomer van 2011 als docent antropologie en tot vlak voor mijn eerste les had ik helemaal niks. Geen boek, geen literatuur, geen idee. Ik moest zelf maar bedenken hoe een les eruit moest zien. Maar ik ben gewoon ongehoorzaam geweest. Ik ben wél in Zwolle gaan kijken en met name John ter Horst heeft me erg geholpen. Daarvoor ben ik hem nog steeds ontzettend dankbaar.’
Hoe lang heeft dat ‘verbod’ geduurd?
‘O, een half jaar of zo. Het was al heel snel duidelijk dat dat nergens op sloeg.’
Dat moet heel frustrerend zijn geweest…
‘Laat ik zeggen…. ontzettend spannend. En heel onzeker. Maar vanaf het moment dat John bijsprong, ontzettend leuk. Omdat het opzetten van het onderwijs in die eerste jaren chaotisch was, complex.’
En onder dat soort omstandigheden bloei jij helemaal op.
‘Ja. Ik vond dat fantastisch. Maar ik heb ook veel collega’s zien komen en heel snel zien gaan omdat ze daar niet tegen konden. Die complexiteit was echt iets van het eerste jaar. We moesten het met elkaar doen. De eerste vijf jaar, tot we het hele curriculum ontwikkeld hadden en de eerste afstudeerders hadden, zaten we in een echte startup situatie.’
Met een hecht team, kan ik me zo voorstellen.
‘Ja. Je bent nu eenmaal op elkaar aangewezen. In die eerste jaren was iedereen een manusje van alles. Doordat het team snel groeide en er een hoog verloop was kwamen er voortdurend taken vrij te liggen en kon je overal inspringen.’
En na die vijf jaar, bleef het leuk?
‘Ik werd opleidingscoördinator bij de opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening. Dan moet je nadenken over hele opleidingen en over de sector waar je voor opleidt. We begonnen naar buiten toe relaties te leggen, want daar waren we in die eerste paar jaar nauwelijks aan toegekomen.’

En na een paar jaar werd je HHD’er…
‘Er was een herschikking van het domein en we gingen naar een MT met HHD’ers. Een HHD’er is hier, anders dan in Zwolle, vooral een opleidingsmanager van een groep opleidingen. De reden waarom ik die stap zette was omdat er een hele mooie opdracht lag, namelijk drie opleidingen, waaronder SPH, samenvoegen tot één opleiding Social Work. Drie teams moesten één team worden en er moest een compleet nieuwe opleiding uit de grond worden gestampt. Dat was weer echt pionieren. En dat is ook goed gelukt, samen met het team. Daar ben ik trots op.’
De volgende stap: directeur onderwijs, de baas over 24 opleidingen….
‘Dat vond ik echt geweldig. En heel erg leerzaam. Ik kom uit de sociale wetenschappen, waarin alles draait om de mens. En nu had ik bijvoorbeeld ook te maken met al die economische opleidingen, en techniek. Daar heerste een hele andere mentaliteit, veel zakelijker en hands on. En zo leerde ik weer heel veel.’
In die tijd kwam Corona om de hoek kijken.
‘Klopt. En dat raakte mij persoonlijk. Ik werd ziek en belandde op de IC, hier aan de overkant, met ademhalingsproblemen. Dat heeft op mij flinke impact gehad. Het aardige is: dan zit je ziek thuis en je vraagt je bezorgd af: “het zal toch niet misgaan met die opleidingen”. Maar dan kom je terug en ziet dat alles ook zonder jou gewoon doorgaat. Dat helpt je ego bescheiden te houden.’
En toen was er het vertrek van directeur Kees Stolwijk…
‘…. En heb ik mijn vinger opgestoken. Wetende dat het mijn laatste functie zou zijn binnen Windesheim. Ik wist toen al dat ik geen ambitie had om CvB-lid te worden. Als ik dat zou doen, dan zou ik twintig jaar of langer op Windesheim zitten. Dan zou mijn carrière volledig getekend zijn door Windesheim. Dat is mooi, niks mis mee, maar voor mezelf heb ik andere ambities.’
Uitgekeken op Windesheim?
‘Zeker niet. Windesheim is zo’n warm bad. Ik heb hier zo veel fijne mensen om me heen, het is gewoon niet normaal – en voor je het weet denk je dan: ach, laten we nog maar even doorgaan. Hoe verleidelijk ook, dat wilde ik juist voorkomen. Ik moest echt een harde knip leggen.’
Wat ga je nu doen?
‘Ik weet het nog niet. Ik had het idee dat ik na Windesheim een bestuursbaan zou zoeken, in een ander College van Bestuur of een Raad van Bestuur. Maar ik ben er het afgelopen jaar achter gekomen dat ik dat op dit moment niet wil. Wat ik in elk geval wél wil, is impact maken.’
Je staat bekend als iemand die altijd heel zichtbaar is op de werkvloer, die met iedereen een praatje maakt.
‘Dat heb ik in die eerste jaren in Almere ontdekt: dat persoonlijk contact met mensen de beste manier is om dat contact met de ander te “laden” op de manier die je nodig hebt. Als je dat niet doet, dan blijf je afhankelijk van je functietitel om iets voor elkaar te krijgen. Dan moeten mensen een besluit accepteren omdat jij de directeur bent. En als het een besluit is dat ze niet ligt, dan wordt dat problematisch. En ten tweede, als je persoonlijk contact maakt, kun je vertrouwen winnen. En krijg je zaken in beweging. Dat heb ik met name geleerd bij het opzetten van Social Work. Wat ik toen heb gedaan is vooral met mensen praten. Drie maanden heb ik daarin geïnvesteerd. Ik kon iedereen uitleggen wat het plan was én ik kon laten zien dat ik hun ideeën serieus nam. Zodat mensen het gevoel hadden dat ze ertoe deden.’
Iedereen?
‘Nooit iedereen, maar wel de meerderheid. En die helpt je om de rest over de streep te krijgen. Die stijl heb ik heel bewust verder ontwikkeld en meegenomen in al mijn volgende rollen. Het kost heel veel tijd.’
Het klinkt als een trucje.
‘Het is geen trucje maar een strategie, ik heb er veel plezier in mensen te ontmoeten omdat het bij mij past als persoon.’ Je praat ook veel en graag met studenten. ‘Dat hoort erbij! Mensen willen gezien worden. Hoe bouw je anders een gemeenschap? Je wilt laten zien dat een student niet alleen door zijn docenten gehoord en gezien wordt, maar ook door de directeur.’
Die nadruk op het persoonlijk ontmoeten, spelen je Marokkaanse roots daarbij een rol?
Ja, ik denk het wel. Ik ben, zoals heel veel van mijn generatiegenoten, in twee culturen opgegroeid: de Marokkaanse thuiscultuur en de Nederlandse straatcultuur. Die thuiscultuur is heel collectief, en fijnmazig. Ze kent veel gedragsregels en legt ook een grote nadruk op gezamenlijkheid en sociale cohesie. Heel veel daarvan zit in mij. Dat neem ik mee naar mijn werk en is onderdeel van mijn stijl. Bijvoorbeeld dat ik iedereen ‘s morgens begroet elke dag, met fysiek contact. Niet op afstand even ‘hoi’ roepen maar een hand geven, of een boks. Ik zie jou, jij ziet mij, we zijn er voor elkaar. Bij ons thuis groeten we elkaar elke avond als we naar bed gaan, en elke ochtend na het opstaan, met een hand en een kus. Je ziet elkaar. Ik vind dat een heel belangrijk levensprincipe. Ik ben natuurlijk niet de enige die dat ideaal van de school als gemeenschap uitdraagt maar als directeur heb je relatief wel een grotere impact op die cultuur, op de normen en waarden die we hoog houden. Als ik dingen laat lopen, geeft dat anderen een vrijbrief hetzelfde te doen.’
‘Ik denk trouwens dat die die persoonlijke aandacht niet “typisch Marokkaans” is maar vooral ingegeven door de islamitische cultuur. Gemeenschapszin en inclusiviteit zijn kernwaarden in de islam. Islamitische studenten herkennen zich daardoor sneller in mijn manier van doen. En ik benader ze ook zo. Als ik zeker weet dat een student moslim is, dan groet ik hem of haar met salam alaykum.’
Dat zullen ze ongetwijfeld waarderen.
‘Zeker.’
Heb je voor hen een voorbeeldfunctie?
‘Dat kan ik gewoon niet meer ontkennen. Ik kan er niet omheen dat heel veel studenten en ook medewerkers aangeven dat ze mij als een voorbeeld beschouwen. Jij, zeggen ze dan, laat ons zien dat het gewoon kan, dat je met een migratieachtergrond de top kan bereiken. Ik laat ze voelen dat er voor hen geen plafond hoeft te bestaan, maar dat alles wat je aan achtergrond meeneemt enkel het startpunt is. Het kan gewoon. Zorg ervoor dat je je werk goed doet, dat je je ontwikkelt, dat mensen je op je merites kunnen beoordelen. Wees de beste versie van jezelf. Dan kun je alles worden wat je wilt. Dat is wat ik altijd probeer uit te dragen.’
tekst: Marcel Hulspas
foto’s: Jasper van Overbeek