Start & Stay: ‘De eerste honderd dagen zijn cruciaal’

Als de eerste honderd dagen goed verlopen, is de kans groot dat de student de eindstreep haalt. Maar wat zijn de ‘succesfactoren’? Wat kan er beter? Om dat te onderzoeken, organiseerden Sabine Reinaardus en Marinda Mark bij domein gezondheid en Welzijn het ‘Start & Stay’ programma.

Wie iets wil verbeteren, moet natuurlijk ten eerste de bestaande situatie grondig kennen. Daarom begon Start & Stay met een scan waarin zoveel mogelijk aspecten rond academische binding, sense of belonging en studievaardigheden in kaart werden gebracht. Wat gebeurde er al, wat zou er beter kunnen? Op basis daarvan stelden Sabine Reinaardus en Marinda Mark, samen met docenten en studenten, een implementatieplan op. Hoe gaan we het aanpakken? En dan is het eindelijk zover. De honderd dagen gaan van start. Beiden blijven vragen, gegevens verzamelen. Een aantal studenten hield gedurende die tijd ook een logboekje of een vlog bij.

En dan? Hoe verder? Reinaardus: ‘De informatie die we zo verzameld hebben, hebben we vervolgens geordend en in een “datawalk” weer teruggebracht naar de teams en de studenten. Herkennen ze zich daarin? Wat kunnen we volgende keer beter doen?’

En dan is er die heikele fase: de implementatie…

Reinaardus: ‘Klopt. Aan het begin van het proces hebben we in elke opleiding een kartrekker aangesteld. Die draait in dit hele proces mee en ziet daarna toe op de implementatie van de voornemens in de opleiding.’
Mark: ‘De ‘kartrekker’ heeft het programma onder zijn hoede. Via de kartrekkers zijn bijvoorbeeld studentbegeleiders hun klas ingegaan met de vraag ‘wat heb je in die dagen ervaren, gezien? Maar ze zijn geen vast onderdeel van Start & Stay. Het is de bedoeling dat het programma op een gegeven moment bij alle opleidingen een vast onderdeel wordt van het curriculum.’

Wat is een “datawalk”?

Mark: ‘De data worden gerubriceerd en die informatie wordt “teruggebracht” bij de opleidingen met “datawalks”. Ik laat ze zien wat er allemaal naar voren is gekomen en de docenten gaan daarover met elkaar in gesprek. Tijdens een wandeling. Zij zeggen wat hen opvalt, wat gaat er goed en wat niet en waar kunnen ze iets mee. Zodat de opleidingen in september het weer een stukje beter kunnen doen als het gaat om binding en studievaardigheden’

Wat was de input van de studenten?

Sabine Reinaards

Reinaardus: ‘Zo’n tien studenten hebben een logboekje bijgehouden. Dat vind ik superstoer, dat ze dat wilden doen, want toen we het vroegen kenden ze ons, of de opleiding, nog maar nauwelijks. Wat daaruit blijkt, maar ook uit de andere antwoorden van de studenten, is dat er veel dingen gewoon goed gaan. Ze zijn tevreden over de docenten, die zijn heel betrokken en behulpzaam – al komt het nog wel voor dat een docent een opmerking maakt als: “je komt van het mbo, dan zul je het moeilijk krijgen.” Dat demotiveert natuurlijk enorm. Maar verder zijn ze positief over de lessen en opdrachten, de studentencoaches vinden ze heel positief. Het werken in leerteams ook…’

G&W heeft zijn zaakjes op orde?

Reinaardus: ‘….Al merkten we bij Social Work wél dat we al die informatie over binding en studievaardigheden niet in de eerste weken moeten proppen maar beter moeten verdelen. Ze krijgen in die eerste weken al zo veel over zich uitgestort…’
Mark: ‘Andere aanbevelingen zijn heel concreet. Dat ze bij bepaalde vaardigheden, zoals de APA-richtlijnen, meer lessen zouden willen hebben bijvoorbeeld. Wat we vooral willen bereiken is het gesprek over binding en studievaardigheden tussen studenten en docenten op weg helpen. Een stuk bewustwording.’

Maar het blijft in die eerste dagen voor docenten toch zenden…

Mark: ‘Opleidingen hebben zoveel kennis die ze willen overdragen. Maar de student die net van het havo of vwo komt, wat kan die met al die informatie? Er is zo veel informatie voor studenten, maar studenten én ook docenten weten het lang niet altijd te vinden. Er wordt op Windesheim superveel gemaakt en bedacht – maar dan? Hoe zorg je ervoor dat de juiste informatie bij de juiste student of docent terechtkomt?
En is daarmee de vraag van de student beantwoord? Het is makkelijk om te verwijzen naar een linkje, ingewikkelder is het om daadwerkelijk de juiste informatie te vinden en te filteren.’

Wat vonden de collega-docenten van de resultaten?

Mark: ‘In gesprekken met collega’s komt vaak naar voren: ja maar dat doen we toch al? Dat klopt. Maar we zijn ons als docenten onvoldoende bewust van het verschil in kennisniveau. We weten niet meer hoe het is om blanco binnen te komen. Studenten geven aan: jullie doen net alsof we allemaal weten hoe Word werkt, en hoe we aan een verslag moeten beginnen. Bij het mbo is het tegenwoordig veel kleine opdrachten, en een A4tje is daarna genoeg. De afstand tot onze manier van werken is dan heel groot. Start & Stay kan helpen om je daarvan weer bewust te worden en studenten te ondersteunen in de overgang tussen het vo/mbo naar het hbo om zo snel mogelijk goed te kunnen studeren.’

Er zijn vast ook docenten die al die aandacht “pamperen” noemen…

Reinaardus: ‘Er is een groep docenten die zegt: dat moeten ze zelf kunnen oplossen, zelfstandig kunnen uitzoeken. Die willen zo snel mogelijk naar de vakinhoud. Maar als je zult toch écht eerst wat moeten aanleren. Dat los je op door het Start & Stay in het hele curriculum én het docententeam te verweven. Sommigen noemen dat pamperen. Maar we hebben nu eenmaal te maken met een generatie die nauwelijks boeken leest, en met een korte spanningsboog. Het advies is dan: biedt korte kennisclips aan. Is dat pamperen? Daar ben ik het niet mee eens. De wereld verandert; de student verandert; wij moeten ze leren boeken te lezen, focus te houden.’

Dus de iPhone de klas uit?

Reinaardus: ‘Van mij mag de iPhone de klas uit. En als je het studenten vraagt zeggen die ook: doe dat maar. Studenten vinden het prima om aangestuurd te worden – maar dan met behoud van eigenheid en autonomie. Een totaal verbod op iPhone gebruik moeten we niet hebben – we moeten ze vooral leren om verstandig met dat ding om te gaan.’

Marinda Mark

Jullie leggen bij Start & Stay een grens bij honderd dagen.

Mark: ‘De eerste honderd dagen zijn cruciaal. In die periode moet de student een helder beeld krijgen van de opleiding, onderwijsinrichting en de beroepsgroep, en moet zich thuis voelen bij de opleiding en de klas/groep. Als dat fundament er ligt in de eerste honderd dagen, voelt de student zich op zijn plek, is de kans groot dat de student zijn studie succesvol kan afronden. Het is niet alleen een kwestie van goede contacten met SB-ers, docenten en collega-studenten, het gaat er ook om hoe het onderwijs geschiedt – voel je je daar als student goed bij? En het gaat ook om het beroepsbeeld: voel ik me verbonden met het beroep waarvoor ik aan het leren ben? Ook dat is bij de start niet altijd helder. Ook daarvoor zijn die eerste honderd dagen belangrijk. Overigens is de start van het tweede jaar óók de start van een nieuwe ‘honderd dagen”, met andere vakken en docenten. Zij het minder heftig dan de eerste keer.’

Dat binden begint al vóór de honderd dagen.

Mark: ‘Op het moment dat je je als student aanmeldt. Door de matchingsdag of door het intakegesprek. Daarvan zeggen we dan ook: ga kennismaken met de docent die hopelijk je SB-er gaat worden. En ga ook kennismaken met je klas, zodat je al vóór de zomervakantie een beeld hebt van wat er komen gaat en die drempel om te starten in september zo laag en plezierig mogelijk is.’

Maar de student kan na honderd dagen ook concluderen: dit is mijn studie toch niet…

Mark: Ik gun iedere student een goede start en dat houdt ook in dat je juist in die honderd dagen kunt ervaren dat wat je hebt gekozen toch niet je opleiding is en dat je wilt overstappen. Dat is dan ook oké. Je hoeft niet per se bij de opleiding te blijven waar je bent ingeschreven, maar zorg ervoor dat je in de eerste honderd dagen een goed beeld krijgt van de opleiding, je beroep en je medestudenten. Want dat gaat je verder helpen in welke keuzes je ook gaat maken.’

En wat gebeurt er na de honderd dagen, blijven jullie bij de voortgang betrokken?

Mark: ‘Wij blijven daar op afstand bij betrokken. We gaan we binnen de opleidingen kijken hoe we de resultaten kunt borgen. Maar we proberen ook teams met elkaar te verbinden om best practices uit te wisselen. Begin juni organiseerden we de Start & Stay experience waarbij we andere opleidingen en domeinen uitnodigden om een kijkje te nemen. Want in principe is dit een programma dat je bij iedere andere opleiding kunt toepassen.’

Reinaardus: ‘Start & Stay gaat om alle facetten die bepalen hoe studenten de eerste honderd dagen ervaren en die nodig zijn om een goede start te maken. Het gaat dus niet alleen om Generatie Z. Het is ook niet uitsluitend voor Gezondheid & Welzijn. We willen graag dat het Windesheimbreed gebruikt gaat worden.’

Tot slot, wat is voor jullie de belangrijkste les uit het programma?

Reinaardus: ‘Ik denk de meest duidelijke “les” die ik zou willen trekken is dat er ergens een platform is binnen de opleiding waar studenten de docenten beter kunnen leren kennen, waar ze hun ideeën kunnen spuien en kunnen meedenken over de opleiding. Dát vinden studenten heel prettig. Ik denk dat elke opleiding die zoiets nog niet heeft, daar mee zou moeten beginnen.’

Sabine Reinaardus is docent bij de opleiding Social Work. Marinda Mark is docent (AD) Sociaal werk bij Gezondheid & Welzijn.

Tekst: Marcel Hulspas
Illustraties: Judy Ballast
Foto’s: Stefan Lucassen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *