Studente Renée tweede op WK judo voor junioren

Renée van Harselaar, eerstejaars verpleegkunde, heeft onlangs een medaille gewonnen op het Wereldkampioenschap judo voor junioren in Marrakesh. Na een spannende finale werd ze uiteindelijk tweede.

Wat overheerst: teleurstelling of toch blijdschap vanwege de tweede plek?
“Eerst wel even de teleurstelling, ik draaide een goede pot en je bent op zo’n moment natuurlijk best dicht bij de overwinning. En ‘wereldkampioen’, dat klinkt natuurlijk erg mooi. Maar toen ik het podium opliep om de medaille in ontvangst te nemen, was ik hartstikke blij. Tweede van de wereld! Daar ben ik meer dan tevreden mee.”

Je verloor de finale in de gewichtsklasse tot 78 kilo van een Japanse. Was ze inderdaad sterker?
“Ik wist van tevoren dat het een heel lastige pot zou worden, ze was namelijk vorig jaar ook al wereldkampioen bij de junioren. Maar ik ging de finale in om te winnen en ik heb ook echt goed staan judoën. De reguliere tijd van een judo-wedstrijd is vier minuten, die heb ik helemaal vol gemaakt. Daarna kwam de ‘golden score’ waarin elke score betekent dat je direct hebt gewonnen. Ik maakte een foutje en bij Japanners kun je je echt geen foutje permitteren, dat straffen ze direct af. En dat bleek ook. Ze gooide me half op de rug, een wazari. Haar overwinning was dus volledig terecht.”

Ben je klaar voor een overstap van de junioren naar de senioren?
“In maart word ik 20. Het komende seizoen, dat duurt tot september 2020, ben ik dus gewoon nog junior. Daarna gaan we kijken hoe de doorstroming naar de senioren wordt. De stap om dan meteen mee te doen aan de Grand Prixs, dat zijn de toernooien voor de echt heel goede judoka’s en gelden als voorbereiding op de Spelen, is erg groot. Daarom zijn er ook kleinere toernooien, bijvoorbeeld de European Cups en de European Opens, waar de ‘B-senioren’ aan mee doen. En als je het daar goed doet, mag je steeds een stapje hoger. Totdat je op de Grand Prixs staat en als je dáár ook goed presteert, mag je misschien naar de Spelen.”

Heeft dat ook te maken met hoeveel plek er is in de Nederlandse ploeg?
“Ja. In mijn gewichtsklasse zijn er zo’n vijf senioren die het internationaal goed doen. Drie daarvan zijn al wat ouder, maar ja, je weet nooit wanneer ze stoppen en wanneer ik dus de kans krijg. Volgend jaar zijn er Olympische Spelen, daarna zullen we wel zien wie er doorgaat en wie niet. Mijn doel is de Spelen van 2024 of 2028.”

Wat maakt jou een goede judoka?
“Ik ben wel tactisch. Tijdens een wedstrijd kun je van de jury straffen krijgen voor kleine dingen zoals niet aanvallen, buiten de mat lopen of naar je knieën gaan. Bij drie straffen heb je verloren. Daar ben ik dan wel eens slim mee: door iemand ook nog even die derde straf aan te smeren. Ik ben fysiek sterk, dus ik kan mijn tegenstander goed onder druk zetten en vast zetten en haar daardoor foutjes laten maken.”

“Sommige judoka’s maken heel mooie puntjes door iemand op z’n rug te gooien en dat lukt mij ook wel eens, maar dat is tot nu toe niet mijn sterkste eigenschap. Daar ben ik overigens wel mee aan het werk door heel veel te oefenen op techniek. In trainingen gaat dat wel goed maar dat stapje naar de wedstrijden… dan is het best lastig om risico’s te nemen. Tijdens trainingen maakt het niet uit als je een keer op je rug wordt gegooid, maar in wedstrijden is dat natuurlijk fataal.”

Je woont ‘op kamers’ in Heerenveen.
“In het weekend ben ik thuis bij mijn ouders in Enschede, doordeweeks woon ik in Heerenveen in een speciale flat voor topsporters, samen met andere sporters zoals schaatsers en zwemmers. Onder mij woont bijvoorbeeld shorttrackster Suzanne Schulting. We hebben allemaal een appartement met eigen keuken en badkamer.”

“Ik ben hier twee jaar geleden naartoe verhuisd omdat hier een trainingscentrum zit. Om fulltime te kunnen trainen moet je hier ook wel wonen. Ik sta meer uren op de mat dan dat ik naar school ga. Ik train vijf à zes dagen per week, twee keer per dag en op maandag en vrijdag zelfs drie keer. Judo is niet een sport met heel lange trainingen, anderhalf tot maximaal twee uur per keer. Ik werk dan aan mijn techniek, kracht en conditie en uiteraard speel ik ook veel oefenpotjes.”

En tussendoor studeer je ook nog.
“Ja, ik zit gewoon in een klas en ik volg een normaal rooster. Maar ik ben er inderdaad heel vaak niet. Dat haal ik digitaal in, met zelfstudie. Ik maak gebruik van de topsportregeling. Dat houdt in dat docenten makkelijker zijn en ik niet al die verplichtingen heb. Ik heb bijvoorbeeld meer speling qua studiepunten: ik hoef niet te voldoen aan de bsa-grens na het eerste studiejaar. Ik tevreden bij Windesheim: het is hier echt prima geregeld en de communicatie met de topsportcoördinator en mijn sb’er is ook goed.”

“Mijn klasgenoten helpen me ook veel. Ik maak mijn lesvoorbereiding altijd wel gewoon thuis al, maar als ik een les mis krijg ik natuurlijk geen feedback of de antwoorden, omdat die vaak alleen klassikaal worden gegeven. Die krijg ik dan van klasgenootjes. Of ze helpen me doordat ze tijdens de les hebben meegetypt en vervolgens aan mij doorgeven van ‘dit is belangrijk’ en ‘dit is er gezegd’, dat soort dingen. Dat is echt heel prettig.”

Tekst: Wouter van Emst

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *