Bas Mulder krijgt stamcellen van broer Steph: ‘Een eer als je iemands leven mag redden’

Bij bouwkundestudent Bas Mulder werd in augustus voor de derde keer lymfeklierkanker vastgesteld. Als je dit leest, probeert hij een laatste redmiddel: een transplantatie van de stamcellen van zijn broer Steph, eveneens student op Windesheim.

Het leek er eerst op dat het sowieso voorbij was: bijna kon de transplantatie niet doorgaan…

Steph: “Ik kwam thuis van stage, begin november. Iedereen zat hier aan tafel. Het was helemaal stil, de radio was uit. Mijn ouders en Joanne, de vriendin van Bas, hadden rode oogjes. Meteen een voorgevoel: dit is niet goed. Bas zei: De beenmergtransplantatie gaat niet door, de kanker is te agressief. Ze kunnen niets meer voor me doen.”

Bas: “Dan zakt de grond onder je vandaan. Alles waar je in gelooft, waar je vertrouwen in hebt, is in één klap weg. Vooral de medische wereld: dokters maken je normaal gesproken toch beter?”

Steph: “Er is altijd een soort van hoop, in de medische wereld is er altijd wel een nieuwe kuur of behandeling. Maar op het moment dat de dokter vertelde dat hij niks meer voor Bas kon doen, was er niks meer. Daarna begon ik eigenlijk al met hem af te schrijven. Ik lag ’s avonds in bed te denken aan alle leuke momenten die we samen hebben gehad en wat we nog allemaal zouden gaan doen. Je bent alleen maar bezig met het verwerken. Maar dat wil je niet tonen tegenover Bas. Want als ik dan weer beneden kwam, zat hij er natuurlijk gewoon nog.”

Bas: “Ergens was het ook wel lekker. Ik hoefde me niet meer druk te maken over de vraag of ik nog beter werd. De kogel was door de kerk. Ik leef al sinds 2006 met een bepaald soort spanning, nooit even rust. Al bij een verkoudheidje denk ik: ‘Het zal toch niet…’ Nu werd er gezegd: het is gedaan, afgelopen. En als een arts dat zegt, is het ook voorbij. Ik had me er bij neergelegd.”

Steph: “Het is zo raar om zoiets te horen te krijgen van je eigen broer. Dat kun je gewoon niet plaatsen, wil je natuurlijk ook niet. Je hebt een beeld van je verdere leven en in dat van komt ook mijn broer voor. En dan zeggen ze opeens: Sorry, gaat niet gebeuren.”

Bas: “Die avond ben ik naar vrienden gegaan, gewoon even wat drinken bij iemand thuis. Een beladen avond natuurlijk, maar gelukkig was iedereen redelijk nuchter. Niemand zat te janken ofzo. Daar help je ook niemand mee, mij niet in ieder geval. Daar kan ik ook helemaal niet tegen, dat zou het voor mij alleen maar moeilijker maken. We hebben er over gepraat en daarna op de Playstation ‘Buzz!’ gespeeld.”

De maandag erna kreeg je te horen dat ze toch nog een behandeling wilden proberen.

Bas: “Een heel bijzondere, peperdure kuur als laatste redmiddel. Eerst werd een stof toegediend die alle kankercellen in mijn lichaam een kleurtje gaf, als een grote markeerstift. Dan een spuit met een radioactief goedje dat op alle kankercellen ging zitten en ze ter plekke bestraalde. Kwam uit de kernreactor in Petten. Da’s wel een grappig idee, niet? ’s Ochtends werd het uit de reactor gehaald en ’s middags kreeg ik het toegediend. Mooi spul, ik heb er niks van gemerkt. En omdat het aansloeg, kon de transplantatie alsnog doorgaan.”

En Steph is op 15 december de donor?

Steph: “De beste donor is altijd een broer of zus, omdat die genetisch het meest dichtbij liggen. er is niet echt aan mij gevraagd of ik het wel wilde doen. Die vraag is op zo’n moment helemaal niet aan de orde.”

Bas: “Jawel, daar was ik bij. Ze vroegen letterlijk: wil je dit doen?”

Steph: “Oh oké. Maar het was natuurlijk niet meer dan logisch. Zoiets doe je voor je broer. Hoefde ik niet over na te denken. Dus toen zijn we getest en bleek dat we ‘matchten’. Die kans is 25 procent, dus dat was best nog even spannend.”

Hoe gaat zo’n transplantatie eigenlijk in z’n werk?

Steph: “Ik krijg groeihormonen toegediend waardoor mijn beenmerg extra stamcellen gaat aanmaken. Al die cellen heeft mijn lichaam niet nodig, dus worden ze geloosd in m’n bloedbaan. Vervolgens kunnen ze die er uit filteren en aan bas geven.”

Bas: “Nu draait echt alles om die transplantatie. Door die dure kuur ligt de kanker tijdelijk op z’n gat totdat ik Steph z’n stamcellen krijg. Dan moeten zijn cellen aan het werk.”

Steph: “Ik sta altijd langs de zijlijn, het enige wat ik tot nu toe kon doen was aanmoedigen. Nu kan ik eindelijk echt iets doen. Nou ja… mijn cellen dan.”

Bas: “Ik gun het hem wel. Het is toch een eer als je iemands leven mag redden?”

Bas: “Daarna is het afwachten. Na een aantal maanden weten we pas of het een succes is. Dat wordt een heel spannende periode. ik weet eigenlijk niet hoe groot de kans van slagen is. Dat soort statistieken verwerp je vrij snel als je eenmaal hebt gehoord dat ze niks meer voor je kunnen doen.”

Het valt me op dat je heel makkelijk over deze dingen praat.

Bas: “Ja klopt. Ik heb er niet zoveel problemen mee. Ik krop gevoelens of gedachten ook niet op. Ik ram het er gewoon uit, kijk maar op m’n weblog. Aan de reacties daar zie ik dat mensen mij als een soort inspiratiebron zijn gaan zien. Bijvoorbeeld een meisje dat zei: ‘Door jouw verhaal heb ik weer hoop gekregen voor mijn vader, die ook kanker heeft.’ Zo gaaf dat ik hiermee anderen weer kan helpen.”

Ga je ondertussen gewoon door met je studie?

Bas: “De afgelopen jaren volgde ik gewoon colleges en deed ik ook tentamens. Tijdens de periode met chemo’s deed ik thuis de projecten, als ik dan weer schoon was verklaard volgde ik colleges en maakte ik tentamens. Vanwege mijn ziekte kreeg ik twee extra stufi, maar die twee jaar zijn al voorbij. Vanwege alle bestralingen zou ik zo’n beetje de hele eerste helft van dit collegejaar gaan missen, vandaar dat ik me dit jaar niet heb ingeschreven.”

Steph: “We hebben trouwens nog een vak bij elkaar in de klas gezeten. Ik begon later op Windesheim dan Bas, maar inmiddels heb ik hem ingehaald.”

Heb je veel contact met mensen van je opleiding?

“Best wel. Twee studiegenoten waren hier laatst nog en anderen reageren op mijn weblog. Ook krijg ik wel eens bezoek van docenten, zelfs nu ik uitgeschreven sta en dus officieel even geen student ben. Een dikke vette pluim voor hen dus. En deze week organiseerden ze zelfs een spinning marathon voor mij. Ik heb ze meteen gebeld om te zeggen dat ik het heel gaaf vind.”

Wat als deze transplantatie niet aanslaat?

Bas: “Geen idee, daar denk ik niet over na. Ik kan me er wel zorgen over gaan maken, maar wat moet ik daarmee? Ik wil positief blijven denken en in het nu leven. Ik voel me nu goed, dus is het ook goed. Toch heb je in je hoofd altijd weer de neiging om negatief te gaan denken. ‘Duveltje denken’ noem ik dat. Altijd weer die zorgen: ‘…en die klieren dan?’ Je moet er gewoon vertrouwen in hebben dat het goed komt.”

Steph: “De vraag of dit een succes gaat worden is nu ook helemaal niet relevant.”

Bas: “Ik heb gewoon een planning voor de zomer. Straks weer naar Alpe d’Huzes, de jaarlijkse inzamelingsactie in Frankrijk voor het Kankerfonds. Het huisje is net geboekt.”


Fragmenten van het weblog van Bas Mulder

23 augustus 2009
“Op 21 augustus krijg ik telefoon van dr. Lokhorst. Het staat voor negentig procent vast dat er wéér de verkeerde cellen zijn gevonden in mijn hals. […] M’n maatschappelijke leven is nu helemaal een puinhoop. Ik liep al twee jaar achter door die k*tkanker, nu zeker 3,5 jaar. Het huis uit gaat echt te lang duren nu. School, ook dat nog. Dat wordt uitschrijven, denk ik. En hoe moet ik dit gaan vertellen aan mijn vrienden? Ik had iedereen nog wel nadrukkelijk beloofd dat het over zou zijn. Ik moet ze allemaal vertellen dat ik weer verloren heb. Dat ik die focking kanker er nog niet onder heb.”

29 augustus
“Donderdag was het nog even vlammen op de mountainbike in Rheden. Fijn om flink door te gassen. Want last heb je totaal niet, van die kanker. Behalve dan dat het je bij de strot pakt, in je kop. […] Op de terugweg zag ik nog toekomstmuziek: Kalebassen!

7 september
“Toen stelde ik de vraag die ons allemaal stil kreeg. Hoe ziet u de toekomst? Ik vroeg niet eens om procenten en zo, omdat ik dat eigenlijk niet wilde weten. Maar dokter Lokhorst antwoordde: ‘Als ik eerlijk ben, fifty fifty’.”

17 september
“Op 13 juni (mijn verjaardag) had ik van mijn vriendin twee kaarten gekregen voor Coldplay. […] Kreeg het toch wel een paar keer warm bij bepaalde lyrics. ‘No I don’t want to battle from beginning to end, I don’t want to follow death and all of his friends.’ ‘Ik wil de dood en zijn vrienden niet volgen.’ Nou, een vriend van de dood is volgens mij toch echt kanker. Dus dat was wel heerlijk om mee te schreeuwen, dat ik dat ook niet wilde.”

27 september
“Steph is gewoon mijn donor, ik ben er enorm blij mee. Het heeft erg veel voordelen. Vooral omdat hij het dichtst bij mij ligt van alle mogelijke donoren. Hierdoor heb ik minder kans op afstoten.”

14 oktober
“Vandaag ging ik maar eens voelen. Ja hoor verdomme, dikke klieren. Dit meen je niet, dacht ik. Dokter ook ongerust. Oh dat gevoel in je buik, wat een klote gevoel blijft dat. Ik kan er maar niet aan wennen. Het gevoel van pure spanning. […] ‘Ja dit is zorgwekkend’, zie ik Lokhorst denken. Hij vertelt me wat er gaat komen, want ze willen eerst die verdomde klote ziekte onder controle hebben voordat ze met Steph de transplantatie starten.”

7 november
“Het is zover. […] ‘Ja, het is erg agressief, ik denk niet dat we zo door kunnen gaan.’ Pa zegt: ‘Dus geen transplantatie?’ ‘Nee nee, het is te agressief. Bas, we kunnen hier niks meer voor je doen’. BAM, de kogel is door de kerk. Het is gezegd. Het is verdomme gezegd. Met stomheid geslagen. Wat moet ik nu dan? Hè Lokhorst? Wat hebben jullie dan in Godsnaam gedaan de afgelopen focking drie jaar? […] ‘Het spijt me’, hoor je dan. Maar hoe ziet mijn toekomst er dan uit, Lokhorst? ‘Maanden…’ Dat zullen we nog eens zien.”

13 november
“Dan zit je maandag bij dezelfde dokter als de vrijdag ervoor. Zegt dat hij het toch wil proberen. Dat leek ons nogal wiedes. Hoewel ik toch eerlijk moet zijn: het weekend was geen pretje. Ik wist niet dat je zoveel gedachten tegelijk kon hebben.”

1 december
“Tadaa de transplantatie gaat door. […] Wat is telefoneren, sms’en en twitteren dan opeens leuk! Vind het ook zo gaaf dat Steph nu weer echt iets voor me kan betekenen. Dat moet hem vast een goed gevoel geven. Niet meer machteloos aan de kant staan!”


tekst: Wouter van Emst
foto’s: Gerben Rink

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *