Laura van Knippenberg: ‘Pas ik nog in mijn tienerkamer?’

Ik lig te woelen in mijn bed. Nou ja, mijn oude bed. Het bed waar ik jaren in heb geslapen, het bed dat in mijn ouderlijk huis staat. Dit weekend ben ik voor het eerst in maanden weer eens thuis.

Het voelt vertrouwd: ik zie mijn oude vrienden weer, eet met mijn ouders aan de eettafel en doe ’s avonds spelletjes met ze. Maar mijn kamer voelt kleiner, mijn spullen voelen niet meer van mij. Ik voel me te gast op een plek die ooit mijn thuis was. Alles is hetzelfde, maar niets voelt hetzelfde.

Ik merk dat ik heimwee heb naar mijn studentenkamer in Zwolle, naar mijn vrienden, mijn nieuwe routine en zelfs mijn overvolle wasmand. En dan stel ik mezelf een paar vragen: wanneer is dit veranderd? Wanneer is dat mijn nieuwe thuis geworden? Is mijn kamer veranderd, of ben ik zélf veranderd?

Tintelend

Uit huis gaan is iets wat ik me niet goed kon voorstellen tot ik het deed. Van tevoren romantiseerde ik het enorm, die tintelende vrijheid. Ik weet nog goed hoe ik tien maanden geleden bij mijn ouders op de bank zat. Ik had er heel veel zin in, maar tegelijkertijd stond ik doodsangsten uit.

Ze zeiden dat het allemaal goed zou komen en dat ik mijn plekje wel zou vinden. Ik riep vertwijfeld dat ik daar niets van geloofde. Maar nu kijk ik daar met een glimlach op terug: ze hadden helemaal gelijk.

Het schommelt natuurlijk nog steeds. Ik kan de muziek veel te hard zetten, pizza eten als lunch en te laat thuiskomen van het stappen zonder dat iemand zich eraan ergert: ik ben nu verantwoordelijk voor mezelf. Maar die vieze wasmand die zichzelf niet wast, de vaat die niet meer magisch verdwijnt en de koelkast die zichzelf niet bijvult zijn een harde realitycheck: ik ben nu écht verantwoordelijk voor mezelf.

Ontgroeid

Dat was in het begin best zoeken, maar ik kreeg er vanzelf handigheid in. Misschien draagt dat ook wel bij aan het thuisgevoel. Misschien past het ouderlijk huis gewoon niet meer bij wie ik nu ben. Of misschien ben ik niet zozeer die plek ontgroeid, maar de fase van mijn leven die daarbij hoorde.

Na het weekend (en de ellenlange treinrit terug naar Zwolle) voel ik me opgelucht wanneer ik de voordeur van mijn studentenhuis weer achter me dichttrek. Mijn huisgenoten hebben er weer een enorme puinhoop van gemaakt en de koelkast is leeg. Ik plof neer op de bank, pak een biertje erbij en slaak een diepe zucht. Ik kijk rond en denk: ja, dit is inderdaad thuis.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *