Een veilig jeugdsportklimaat: ‘Het moet gaan om de kinderen’

Nicolette Schipper-Van Veldhoven heeft een missie. Daar komt ze graag voor uit. Zij en haar medestanders willen in de georganiseerde jeugdsport een pedagogisch veilig sportklimaat creëren. Dat lijkt een onmogelijks strijd, maar ze ziet verandering.


De georganiseerde jeugdsport omvat zo’n tweeëntwintigduizend sportverenigingen, bijna anderhalf miljoen jeugdige sporters en honderdduizenden vrijwilligers. Want die sector draait vrijwel volledig op vrijwilligers. En daar zit ‘m het probleem, zegt Nicolette Schipper, van het lectoraat Sportpedagogiek: “Het zijn mensen met een groot hart voor de sport. Maar eigenlijk weten ze niet wat ze doen. Er zijn nog veel te veel jeugdtrainers die vanaf de kant naar die kinderen staan te schreeuwen, en dan sporttermen gebruiken die die kinderen helemaal niet begrijpen. Ze zijn vooral met winnen bezig, met kampioen worden, en dan laten ze bij wedstrijden net zo makkelijk de helft van de kinderen op de bank zitten omdat die niet goed genoeg zouden zijn. Die komen niet eens aan spelen toe. Maar dat is niet waar de jeugdsport voor bedoeld is. Jeugdsport is een middel voor de ontwikkeling van kinderen.”

Worden er aan die trainers dan geen eisen gesteld?

‘Nauwelijks. Je kunt best eisen aan vrijwilligers stellen; de scouting doet dit al geruime tijd. Maar in de sport is dat niet het geval. Meestal, als een club een trainer zoekt, dan stapt er (in het goede geval) een goed bedoelende vrijwilliger naar voren die denkt van “ik ga dit doen, want ik vind training geven leuk”. Maar als je niet weet wie je voor de groep zet, kun je zo maar ongewenst gedrag krijgen. En het gaat niet alleen om trainers die over de schreef gaan; de grootste groep daders zijn de kinderen zélf, onderling. Als trainer moet je daar oog voor hebben, op de juiste manier ingrijpen. Ze zeggen dan: die kinderen komen bij mij om te voetballen, niet om opgevoed te worden. Nee, dat is niet waar! Op het moment dat je trainer bent, voedt je op. Ben je verantwoordelijk. Als daar geen oog voor is, en er van alles kan gebeuren, dan moeten we ook niet zeggen dat sport goed is voor kinderen. Sport is alleen goed en heeft meerwaarde voor de ontwikkeling van kinderen als er een goed pedagogisch klimaat is op de club.’ Weet je wat mij verbaast? Dat ouders de hoogste eisen stellen als hun kinderen naar de opvang of naar school gaan, maar bij de sportverenigingen worden kinderen zogezegd gewoon over de schutting gegooid.’

Hoe groot is het probleem van ongewenst gedrag in de jeugdsport?

‘Daar is in 2015 en 2020 uitgebreid onderzoek naar gedaan, met behulp van grote onderzoeksbureaus die de beschikking hebben over hele grote panels. De deelnemers, in de leeftijd van 18 tot 50 jaar, wordt gevraagd terug te kijken naar hun tijd als jeugdsporter. Daar worden ze uitgebreid over geënquêteerd. Er is daarbij onderscheid gemaakt tussen psychisch, fysiek en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dat leverde grote cijfers op. Twee derde van de panelleden had als kind tijdens de sport psychisch grensoverschrijdend gedrag meegemaakt. Een derde had fysiek grensoverschrijdend gedrag meegemaakt en zo’n 15 procent seksueel grensoverschrijdend gedrag. Bij degenen die te maken hadden gehad met ernstig grensoverschrijdend gedrag was de kwaliteit van leven echt naar beneden gegaan. Velen worstelden nog met een trauma, met een laag zelfvertrouwen, suïcidale gedachten en ga zo maar door.’

Is daar vanuit de sport nooit iets mee gedaan?

‘De eerste signalen dat het goed mis kon gaan, waren er al eind jaren negentig. Ook dit kwam naar buiten via de media. Toen was er aandacht voor en heeft NOCNSF beleid ontwikkeld om seksuele intimidatie in de sport tegen te gaan. We hebben in 2005 geprobeerd om grootschalig prevalentie onderzoek te doen, maar dat is mislukt door een te lage respons. Tien jaar later lukte dat dus wel via gebruik van panels van onderzoeksbureaus. Cijfers zijn belangrijk want die kunnen de grootte van het probleem duiden. Weer twee jaar later was er de Me Too beweging en werd de Commissie-De Vries ingesteld. Wat die commissie constateerde, dat wisten we eigenlijk al. Maar goed, door dit nu weer uitgebreid aandacht te geven stond het onderwerp nu wel hoog op de Haagse agenda, en kwamen er aanbevelingen waarmee écht iets werd gedaan. Alleen, die gingen vooral over de veiligheidsstructuur, of alles goed is ingericht en veilig sportklimaat op de agenda staat. Dat soort aanbevelingen kunnen heel gemakkelijk afvinklijstjes worden.

Het gaat erom dat de georganiseerde sport (de mensen op de sportclubs) beseffen dat ze heel anders met en/of naar jeugdsport moeten kijken. Dan zet je kinderen centraal en hoe sport kan bijdragen aan hun algehele ontwikkeling. Die cultuuromslag zou ik graag willen zien. Nou, dat is in de sport zoiets als vloeken in de kerk. Want sporten gaat toch over winnen en leren presteren. Zo’n pedagogische aanpak is maar soft’. Wat houdt die gedragsverandering in? ‘Ik wil graag dat het pedagogische gedachtengoed het DNA van de sport vormt,. Ik wil er mede voor zorgen dat verenigingen vanuit de kinderen naar de sport kijken. Dat ze zich niet concentreren op sporttechniekjes en medailles, en het kind alleen maar zien als een middel om medailles te halen. De jeugdsport is een middel om de kinderen te ontwikkelen, zodat sport werkelijk de belofte van het derde opvoedingsmilieu zijn kunnen waarmaken, naast thuis en school.’

Hoe reageren clubs op je boodschap?

‘Ze vinden al die verhalen heel erg, maar voegen eraan toe: bij ons gebeurt dat niet. Ze willen geen maatregelen nemen want dan denken de ouders “waar rook is, is vuur” en halen ze hun kinderen weg. Ze zijn ook bang dat ze vrijwilligers zullen verliezen. Maar we merken dat sinds MeToo# onze boodschap beter wordt ontvangen en geaccepteerd. Ze vinden het vaak wel lastig hoe een dergelijk cultuurverandering op de club gestalte te geven. Hoe doen we dat dan, dat pedagogische is nu een veel gehoorde vraag.

En wat zeg jij dan?

‘Dat als ze goede maatregelen willen nemen, dat als ze gaan staan voor een pedagogisch en veilig sportklimaat er al veel instrumenten, tools, hulpmiddelen zijn ontwikkeld (zoals ons Jeugdsportkompas) die de clubs kunnen helpen. Ook kunnen professionals in de sport, zoals verenigingsondersteuners en clubkadercoaches clubs ondersteunen. Dit is geregeld in de Sportakkoorden. Clubs moeten wel goed beseffen dat het geen eenmalig project is. Het vraagt om een langdurig proces van inzetten op de nieuwe weg, om echte veranderingen in gedrag van alle stakeholders (trainers, ouders, bestuurders) en aanbod op een sportclub.’

Het lijkt me, eerlijk gezegd, een hopeloze strijd. Hoe hou je het vol?

‘Dat wordt me vaker gevraagd: hoe hou je het vol? Het is als een mammoet tanker van koers willen laten veranderen. Dit vraagt geduld en doorzettingsvermogen. Ik blijf gewoon onze centrale boodschap herhalen en ik zie ook dat de groep die hier achter staat steeds groter wordt (sneeuwbaleff ect). Sportbestuurders zien ook wel dat er een probleem is. Maar een kwart van de jeugdsporters komt écht om competitie te spelen. Alle anderen komen omdat ze sport leuk vinden. Ze willen wel wedstrijdjes doen maar niet dat fanatieke. En dat wreekt zich. Wanneer ze in de puberteit komen, houden ze massaal op met sporten, omdat de sport niet meer bij hen past. Pubers willen geen dwang, geen gedram, ze willen sociale interactie, ze willen kiezen, zelf beslissen. Dit vraagt om ander aanbod en dit vraagt om een andere manier van trainen en begeleiden.’

Hoe is dat extreem competitieve erin geslopen?

‘Dat begon in de tachtiger jaren, toen in de topsport de Oostbloklanden uitblonken. Dat succes was te danken aan streng, ‘negatief’ coachen. Dat was de stijl waarmee je medailles kon winnen. Dat wilde iedereen, dus die aanpak werd overgenomen in het Westen en dat had zijn weerslag in de topsport en vervolgens ook in de breedtesport. Sindsdien zijn medailles vreselijk belangrijk geworden. Wij zeggen: dat levert misschien medailles op maar je breekt de kinderen af. Denk alleen al aan hoeveel schade er aan kinderen is toegebracht door ze te dwingen met een blessure door te trainen, of te spelen. Laat staan de gevolgen van grensoverschrijdend gedrag in sport waar de media mee hebben vol gestaan. Terwijl, je kunt én medailles halen én kinderen opbouwen. Maar die oude aanpak is in het systeem vastgeroest.

Maar je blijft optimistisch…

Altijd! De awareness stijgt, er is een Centrum Veilige Sport opgericht, er is veel reuring. Je ziet nu dat op het hoogste niveau de bondstrainers hun best doen, maar hun opvatting dalen niet een-twee-drie neer naar de breedtesport. De bonden werken mee, we zijn hard bezig samen te werken met gemeenten. De Sportraad kwam twee jaar geleden met het advies: stel de kinderen centraal, zorg voor een pedagogisch klimaat en alle trainers moeten worden opgeleid. Dat laatste moet in 2032 bereikt zijn. Wat dat gaat inhouden, daarover voeren we nu pittige discussies. Maar het lijkt of de mammoet tanker zijn koers verlegd

Wat zeg je tegen de CALO studenten?

‘Ja, die zijn vaak begeleiders op de club of trainers in de jeugdsport. En ik zeg ze: ga met lef het werkveld in. Er moet een nieuwe pedagogische boodschap verteld worden. Die boodschap zal je niet altijd in dank worden afgenomen maar blijf overeind, blijf volhouden, probeer het systeem mede te veranderen door je eigen deskundige inzet.


> Nicolette Schipper-Van Veldhoven is sinds 2014 lector Sportpedagogiek, in het bijzonder naar een Veilig Sportklimaat. Daarnaast is zij hoogleraar Sport Risks and Safety aan de Universiteit Twente en strategisch adviseur bij NOC*NSF.


Tekst: Marcel Hulspas
Foto’s: Stefan Lucassen

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *