Nieuw bestuurslid Diender: ‘Bijdragen aan correctie van tweedeling’

Dertien jaar geleden verliet Erika Diender de Zwolse campus. Dit jaar keerde ze terug als een-na-hoogste bestuurder van Windesheim: als tweede lid van het Bestuurscollege naast voorzitter Inge Grimm. De kennismaking, de afgelopen jaren, met het politiewerk en met het middelbaar onderwijs hebben haar visie op het hoger onderwijs diepgaand gevormd.

We gaan terug in de tijd, naar het jaar 2009. Je was veertig jaar, en je had hier op Windesheim de afdeling SOS, student- en onderwijssupport, van de grond getild – en toen besloot je te vertrekken. Waarom?

‘Zoiets beslis je niet in één keer. Ik behoor tot die mensen die regelmatig nadenken over de vraag: Wat wil ik met mijn leven, met mijn werk? En eigenlijk werd ik gewoon nieuwsgierig naar het antwoord op de vraag of ik wat ik op Windesheim geleerd had ook ergens anders kon toepassen.’

Maar je koos niet voor een andere hogeschool, het werd de politie. Trok de politie je al langer?

‘Nee, helemaal niet. Dat is een beetje via-via gelopen. Ik had ook helemaal geen goed beeld van de politieorganisatie.

Was de politie op zoek naar jou?

‘Ze wilden mensen van buiten de politie in de top hebben. Meer vrouwen ook, en een betere afspiegeling van de samenleving’

Als ik aan de politie denk dan zie ik een heel “mannige” organisatie. Erg hiërarchisch ook. Had je geen spijt van die overstap?

‘Spijt? Dat niet zozeer. Heb ik het moeilijk gehad bij de politie? Zeker! Het eerste jaar was heel stevig. Dat “mannige” vond ik helemaal niet erg. Het is een organisatie van “niet lullen maar poetsen”. Als je in het onderwijs een idee oppert dan is dat met de gedachte: daar kunnen we over nadenken. Bij de politie was het zo dat als ik een idee opperde het de volgende dag was uitgevoerd. Het zijn echt doeners.’
‘Maar wat ik dan toch miste was intellectualiteit. Bijvoorbeeld in de manier waarop besluiten tot stand komen. Als ik een strategisch idee had, wilde ik met mensen daarover sparren, kunnen spiegelen. Dat is hier vanzelfsprekend. Bij de politie moest ik echt op zoek naar mensen die dat konden. Dat miste ik.’

En beviel het werk op straat?

‘Ik werd in het diepe gegooid. Mijn leidinggevende zei: Erika, als je bij de politie wilt komen werken, dan ga je all the way. Ik had geen idee wat dat betekende, en achteraf is dat maar goed ook. Binnen de kortste keren stond ik in de sportzaal te vechten met collega’s. En ik ging twee diensten per week mee de straat op. Daar kom je natuurlijk van alles tegen. En daar moet je tegen kunnen. Dat kan ik, weet ik nu. Maar dat wist ik in het begin niet. Het heeft mij ongelofelijk gevormd. Deze prachtige hogeschool is toch een bubbel. De wereld daarbuiten is heel anders.

Wat heb je daar geleerd?

‘Hoofd en hart aan elkaar verbinden. Want dat kunnen ze daar heel goed. Wanneer je in de wacht zit met je collega’s, klaar om aan de slag te gaan wanneer de 112 oproepen binnenkomen, dan heb je geen idee wat er gaat gebeuren, waarmee je geconfronteerd zult worden. Dat kan heel heftig zijn. Daar heb ik leidinggevenden prachtige dingen zien doen, omdat ze altijd moeten opletten: hoe gaat het met mijn mensen? Wanneer er een ernstige oproep binnenkwam en iedereen sprong op, dan zei hij: maar jij gaat dat niet doen, jij blijft zitten! En een ander moest eropaf. En als ik dan vroeg waarom hij dat deed, dan zei hij bijvoorbeeld: dat is voor hem het tweede ernstige incident deze week, dat kan hij niet verdragen. Om dat te kunnen moet je weten wat je mensen bezighoudt, je moet hun privésituatie kennen, enzovoorts. Dat bedoel ik met hart en hoofd. Alles waar je tegenaan loopt doet iets met je. En om dat dan te bespreken en in goede banen te leiden, dat is knap. Dat verbonden zijn met elkaar… daar heb ik heel veel waardering voor.’

Kunnen wij iets van de politie leren?

‘In het onderwijs zijn we ontzettend verbaal. We proberen besluiten te nemen door rationele argumenten op tafel te leggen terwijl daaronder van alles speelt. Dát ook boven tafel krijgen, dat is best ingewikkeld. Maar eigenlijk het belangrijkste.’

Je werd, begrijp ik, ook getroffen door de heftige zaken die je zag.

‘Als je een meisje van dertien moet opsluiten voor winkeldiefstal, en dat voor zeg maar de tiende keer… dat vond ik heel ingewikkeld. Dat gaat helemaal niet helpen, dacht ik dan. Ik vond het dramatisch dat we dat als samenleving deden. Maar ik had ook geen andere oplossing. Dus ben ik toen projecten gaan doen met andere partijen om iets anders te bedenken, andere oplossingen. En op een gegeven moment zei iemand van de GGD tegen me: “Weet je, Erika, het is eigenlijk heel simpel. Óf het gaat mis in de opvoeding óf in het onderwijs, maar vaak in allebei tegelijk. En als het in allebei misgaat, in de leeftijd van 12 tot 18 jaar, krijg zo’n kind dan maar weer eens op de rit!” Wat kunnen we daaraan doen, vroeg ik me af. Ingrijpen in de opvoeding, daar zitten allerlei grenzen aan. Maar het onderwijs, dat moest toch kunnen?! Dat idee heeft tot mijn volgende stap geleid.’

Ik kan me voorstellen dat je na vijf jaar bij de politie ook wel moe was…

‘Nee. Niet van het werk. Waar ik moe van werd was de ontwikkeling richting de nationale politie. Ik kan niet functioneren in een organisatie die ergens vanuit de verte wordt geleid. Dan kan ik er niet meer toe doen. Ik vond dat echt heel jammer. Toen het zo ver was, moest ik dingen doen waar ik niet achter stond. Wat doe je dan? Ik ben met pijn in het hart weggegaan. Toen wist ik wel wat mijn volgende stap was: ik wilde heel graag met de jeugd aan de slag.’

Je werd bestuurder bij de onderwijsgroep Quadraam, voortgezet onderwijs.. Dat is een hele grote koepel. Zat je daar dan wel dicht op die problematiek?

‘Zeker! Daar zag ik dezelfde schrijnende gevallen. En dan kun je met docenten gaan kijken: hoe maken we van een school een kansrijke omgeving?’

Kreeg je de docenten mee?

‘De bevlogenheid bij de docenten vond ik echt imponerend. En ik kon ze helpen bijvoorbeeld door financiële middelen te organiseren of door het gevecht met de Inspectie aan te gaan. Je haalt je rendement niet, zei de Inspectie dan. En dan zei ik: Ja, maar ze halen wél hun diploma. Vaak won ik dat gevecht; niet altijd. Dat rendementsdenken zit nu eenmaal diep in onze samenleving.”

Is de samenleving wat dat betreft aan het verharden? Is er minder tijd en geld en aandacht voor die groep?

‘Dat niet zozeer, maar onderwijs was altijd een emancipatoire beweging, gebaseerd op het idee dat iedereen moest kunnen leren en studeren; dat iedereen gelijk was. Dat heeft een aantal decennia heel goed gewerkt. Maar in de laatste jaren zijn ouders gaan denken: als het mijn kind niet lukt, dan ga ik het helpen. En daar is geld voor nodig. Ze kopen schaduwonderwijs is. Dáár is het fout gegaan. Dan krijg je ongelijkheid.’

En wat voor impact heeft dat?

‘Je ziet dat kinderen die geen welgestelde ouders hebben, of ouders die geen tijd hebben om bijvoorbeeld hun huiswerk te overhoren, veel minder kansrijk zijn. Zo is er een tweedeling ontstaan. Dat hebben we als maatschappij te laat onderkend. En nu moeten we kijken hoe we dat weer kunnen corrigeren. Daarna kwam covid er nog eens overheen; dat maakte het probleem dubbel zo groot. Nu is de uitdaging voor het voortgezet onderwijs, wat mij betreft, hoe we de school zó inrichten dat we de hulp die rijke ouders die schaduwonderwijs inkopen, beschikbaar maken voor kinderen waarvan de ouders dat niét kunnen.’

Maar die groep, daar is toch wel aandacht voor…

‘Er is de afgelopen jaren heel veel gebeurd op het gebied van doorstroom, om al die oude barrières te slechten. Er is veel opgestart. En gelukkig vindt Windesheim dat ook belangrijk. Het is niet voor niets opgenomen in de Strategische Koers. Maar de kunst is om dat door te zetten, te bestendigen en te verbeteren.’

Staat de nadruk op zelfstandigheid van de student, op de eigen leerroute, niet haaks op wat die groep nu juist nodig heeft: goede begeleiding?

‘Hoezo? Denk je dat een eigen leerroute kan bestaan zonder goede begeleiding?’

Maar als iedereen een eigen leerroute heeft, iedereen wat anders, kan de begeleiding dan nog optimaal zijn?

‘Het gaat er om dat je als student met de studiebegeleiders afspraken maakt. En dan kan het zo zijn dat de studiebegeleider zegt: joh, gezien jouw omstandigheden, gezien je thuissituatie, is het verstandig dat je voor de standaardroute kiest. Maar dat laat onverlet dat het juist voor kwetsbare student ook heel goed kan zijn om zijn eigen leerroute te kiezen. Dat hangt zó van de situatie af! Daarom is er ook veel aandacht voor de doorstroom.’

Maar ik mag hopen dat Windesheim er oog voor heeft dat juist de wat zwakkere studenten afstuderen met een diploma dat door de buitenwereld herkend en erkend wordt…

‘Zeker. Die eigen leerroutes moeten binnen vaste kaders vallen. Want je leidt gewoon op voor een diploma. Je kunt flexibiliteit op heel veel manieren invoeren maar altijd met behoud van kwaliteit. Hier komen jonge mensen, met de leeftijd waarin ze een beetje weten in welke richting ze zich willen ontwikkelen. Dat hebben we te koesteren en daar moeten we goede dingen mee doen.’

Tekst: Marcel Hulspas
Foto: Jasper van Overbeek

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *