‘Individuele aanpak wordt heel belangrijk’

De visie van cvb-voorzitter Henk Hagoort, waarin een student straks veel vrijer zal zijn om zijn vakkenpakket samen te stellen en de docent vooral een coach wordt, leidde tot een reactie van Jan Willem Bruins: waar is dan de hogere taak van de hogeschool? Henk Hagoort reageert.

‘Laat ik beginnen met te zeggen dat ik blij ben met de discussie. Blij dat iemand zegt: hé wacht, hebben we hier genoeg over nagedacht. Ik merk dat mijn verhaal binnen Windesheim herinneringen oproept aan wat ooit “vraag gestuurd onderwijs” heette. Ik ben benieuwd wat voor lessen dat heeft opgeleverd. Die wil ik graag horen. Bruins snijdt belangrijke vragen aan, zoals de spanning tussen de wensen van het werkveld, die van de student en de taak van de hogeschool. Zijn studenten wel in staat te kiezen? Gaat begeleiding helpen? Dat zijn vragen waar ik het beslissende antwoord niet op heb. Maar ik denk wél dat we de fase voorbij raken dat we als hogeschool kunnen denken vanuit een beperkt aantal voorgeprogrammeerde opleidingen.’

En welke fase komt er dan aan?
‘In mijn visie kom je hier straks als student naar Windesheim om met een eigen “kralenketting” aan vakken de hogeschool te verlaten. Je mag gaandeweg ontdekken welke kralen bij je passen. Sommige sectoren stellen heldere eisen en dan liggen de kralen redelijk vast. Er zullen er altijd ingenieurs en verpleegkundigen nodig zijn met helder omschreven opleidingen. Maar je ziet in het werkveld dat het denken in beroepen langzaam minder wordt. Ik zie ook veel voorbeelden van nieuwe beroepen, cross overs tussen opleidingen. Dat is iets waar we nu onvoldoende op in spelen.’

Dan zegt Bruins: studenten weten vaak helemaal niet wat ze willen.
‘Sommige studenten weten direct al wat ze willen worden, welke opleiding ze willen volgen. Andere weten het niet, en staan dan vaak nog lang op meerdere plekken aangemeld. Dat zien we dan als een probleem. Maar iemand met meerdere interesses kun je ook kansrijk noemen. Die past niet in een vakje maar daar kan een heel interessante kralenketting uit komen. Mijn droom zou zijn dat we de beste match scheppen tussen het talent van de individuele student en wat het werkveld nodig heeft.’

Is de student gebaat bij dat samen zoeken naar zijn talent?
‘Volgens mij wel. Ik blijf me verbazen over het feit dat we ons onderwijssysteem niet fundamenteel ter discussie stellen, als je ziet hoeveel studenten in het eerste jaar uitvallen. Het rare is dat je wel hoort dat studenten niet kunnen kiezen, en dat individuele leerroutes dus niet haalbaar zijn, maar dat we ze wél dwingen een opleiding te kiezen. Die uitval komt er eigenlijk op neer dat iemand is ingestapt op een standaardroute, en verkeerd heeft gekozen of een paar punten heeft laten liggen – en dan het volgende jaar maar iets nieuws moet proberen. Ik stel voor dat we studenten die geen helder beeld hebben van wat ze willen, gewoon zeggen: laten we beginnen. Laat die studenten onder goede begeleiding een aantal vakken kiezen. Wanneer dan gaandeweg duidelijk wordt welke kant ze op willen, dan kunnen ze er achteraf een paar vakken ‘naast’ zitten maar ze hoeven niet voor een specifieke opleiding te kiezen of, wanneer het misgaat, een heel jaar overdoen.’

Maar krijg je dan niet dat hij of zij allerlei vakken heeft gedaan die achteraf onnodig waren?
‘Weet je wát gek is, als een student nu in het eerste jaar een kraal pakt die er later niet in past, dan noemen we dat een misser. En in jaar vier noemen we dat een verbredende minor. Als je als opleiding gelooft dat alle kralen die je aanbiedt zinvol zijn, dan moet je voorzichtig zijn met zeggen: dat was een foute keuze.’

Bruins ziet parallellen met het ‘vraag gestuurd onderwijs’ dat tien jaar geleden van tafel ging…
‘Ik weet niet wat er toen mis ging. Wellicht was de tijd er nog niet rijp voor. Maar die trend, het personaliseren van het aanbod, waarbij dus niet meer het instituut of de instelling bepaalt wat het aanbod is, die zie je nu overal. En als we daar niet op inspelen, gaan we het verliezen. Je ziet nu dat Leven Lang Leren in het klassieke hoger onderwijs nauwelijks een rol speelt. Want dat idee van education as a service, dat hebben we niet! Dan zegt men: dat idee zal nooit relevant worden voor studenten van 17, 18 jaar. Nou, dat vraag ik me af. Mijn verwachting is dat het heel snel die kant op kan gaan.’

En ben je dan niet bang dat studenten de kortste, gemakkelijkste weg naar een diploma zoeken?
‘Er zullen vast studenten zijn die dat doen, maar stel dat dat dreigt, dan is het ónze taak, en dat is de meerwaarde van de hogeschool, om te zeggen dat een student toch dit-en-dit moet hebben, anders wordt de kans op een goed beroep veel kleiner. Of om te zeggen: dit wordt zo’n bonte verzameling vakken, straks weet een werkgever niet wat-ie aan je heeft. En we moeten als hogeschool uiteindelijk beslissen of de verzamelde ketting hbo-waardig is.’

Wat wordt daarbij de rol van de docent?
‘Een docent moet vooral gezaghebbend zijn in zijn vak. Hij moet zijn vakkennis bijhouden – dat is vaak al lastig genoeg – maar zuivere kennisoverdracht zal minder belangrijk worden. Zo’n docent kan voor een bepaald vak een andere hogeschool aanbevelen, of wijzen op wat er online mogelijk is. Daarnaast is de docent een kenner van het werkveld én een verbinder tussen student en werkveld. Hij of zij begeleidt en coacht en zal daarbij kennis inbrengen vanuit het werkveld en inspelen op wensen vanuit het werkveld. Laatst hoorde ik van een student HRM die ook erg geïnteresseerd was in ICT. Hij liep stage bij een uitzendbureau, en de baas van dat bureau zei: waarom ga je niet meer vakken ict doen? Dan zou hij voor dat uitzendbureau een heel interessante kracht worden. Op zo’n moment moeten we daar als hogeschool op kunnen inspelen. Dan vindt zo’n student misschien wel een prima baan. Zoiets heet hier plechtig “domein overstijgend”….’

De docent als match maker tussen student en werkveld? Is dat de toekomst?
‘Je moet kijken naar onze toegevoegde waarde over vijf, tien jaar. Kennisoverdracht is volgens mij dan minder belangrijk; waarmee je echt verschil maakt is assessment, begeleiding, toetsing en certificering. Je ziet het nu al bij flexibel deeltijdonderwijs, daar verschuift het nu al naar individuele leerovereenkomsten waarbij we met de student vaststellen: wat heb je al geleerd, wat leer je op je werkplek, wat leer je hier, wat gaan we toetsen. En dat alles begeleiden en faciliteren we. Volgens mij zien we daar wat over vijf jaar ook in het reguliere onderwijs heel belangrijk zal zijn.’

De hogeschool gaat hoe dan ook op de schop…
‘Je hoopt dat je een lerende organisatie bent en blijft. Stel dat we in de dialoog hierover – die is wat mij betreft nog maar net begonnen, en moet in alle openheid worden gevoerd – iets van een ideaal kunnen formuleren waar we energie van krijgen en waarbij we de meerwaarde van de student zien, dan zal dat ook de energie geven om jezelf te blijven ontwikkelen.’ (MH)

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.